Getuigenis van Vanessa

Ik ben Vanessa. Ik woon in Turnhout. Ik ben als horend kind geboren. Toen ik 1,5 jaar oud was werd ik doof door een hersenvliesonsteking.

Mijn ouders waren totaal van slag. Mijn ouders bleven zoeken naar een oplossing voor mijn toekomst. Mijn vader vond ik Antwerpen een dovenschool. Ik ging elke dag over en weer naar die school. s'Ochtends om 5 uur vertrok ik, en om 7 uur s'avonds was ik dan weer thuis.

Toen ik ongeveer 12 jaar werd ik geïntegreerd in het gewoon onderwijs in Turnhout. Maar voordien had ik een goed leven in de dovenschool, op de speelplaats kon ik gewoon babbelen in de Vlaamse Gebarentaal. Maar vergeet niet, vroeger mochten we niet gebaren op school, we moesten de orale methode volgen. Maar ik negeerde dat en gebruikte toch de Vlaamse Gebarentaal met mijn klasgenoten. In de klas kon dat niet, dan moesten we de orale methode wel volgen, maar op de speelplaats niet, dan gebaarden we erop los. Dat voelde zo goed. Dan was ik de echte Vanessa, tot ik naar het gewoon onderwijs ging.

Daar werd alleen maar gesproken, dat was voor mij heel zwaar. Ik had ook geen GON-begeleiding. Dat bestond nog niet, nu wel. Ik moest mij ontzettend inspannen om de lessen te kunnen volgen, dat was heel zwaar. Als ik thuis kwam had ik altijd veel last van hoofdpijn of was ik erg moe. Ik kon er niet zo goed mee omgaan. Ik moest het gewoon accepteren. Ik focuste op het behalen van mijn diploma, en hield dus vol en deed mijn best op school. Ik was gelukkig altijd de eerste, de beste van de klas. Maar de andere kinderen van de klas waren daar erg gefrustreerd om, ze waren jaloers op mij. Ik was altijd de beste van de klas, ze konden niet aanvaarden dat een dove het beter deed dan hen. Ze waren ervan overtuigd dat ik geholpen werd door de leerkracht. Maar dat is helemaal niet waar, ik heb altijd hard gewerkt.

Ik heb de dovenwereld toch altijd gemist. Toevallig kwam in die tijd de minitel (een toestel waarmee je kon chatten) uit, toen was er nog geen fax maar wel een minitel. Een andere dove vertelde mij op de minitel dat er in Antwerpen een dovenclub is, Madosa, waar ook dovenfuiven georganiseerd worden. Ik was zo verbaasd. Ik kon niet geloven dat er in Antwerpen een dovenclub bestond. Ik heb dan een afspraak gemaakt om er naartoe te gaan. Ik vroeg aan mijn papa of hij mij naar Antwerpen wou brengen, en dat wou hij. Ik voelde me daar zo geweldig goed. Ik kon mij naar hartelust uitdrukken met gebarentaal, ik voelde me helemaal vrij. Ik voelde me zo thuis. Ik was echt gelukkig. Ik kon helemaal openbloeien en met iedereen communiceren. Het was zo gezellig. Ik ging dan elke week naar Madosa.

Dat betekent dus dat ik in twee werelden leefde. In de horende wereld en in de dovenwereld. Ik wou mijn vrienden uit beide werelden behouden. Zowel mijn horende als mijn dove vrienden.
Uiteindelijk ging ik steeds meer naar de dovenwereld. Ik verwaarloosde mijn horende vrienden een beetje. Ik werd meer aangetrokken door de dovenwereld. Ja, ik voelde me daar gewoon goed, daar ben ik gelukkig, daar kon ik gewoon mezelf zijn. Daar had ik altijd interessante gesprekken, ik kon er gewoon vertellen wat ik dacht, hoe ik me voelde. Alles kon ik er vertellen. Bij horende minder. Dan moest ik mij focussen op zinsbouw, aan hoe ik het verhaal moest opbouwen, en mijn uitspraak, dat was anders. Bij doven of horenden is het verschillend.
Dus ik ontwikkelde mezelf steeds meer in de dovenwereld. Maar plots kwam de horende wereld weer terug. Ik ontmoette er Erik, mijn vriend. Hij heeft horende vrienden. Met hen maak ik ook kennis.